Interview Kasper Jager en Historicus Michiel van Diggelen

Predikant Kasper Jager wil niet vergeleken worden met verzetsman Arnold Douwes.
Maar deze historicus doet dat wél

Wat zijn de parallellen tussen het leven van verzetsman Arnold Douwes en de Nederlandse predikant Kasper Jager, die al meer dan 500 dagen kerkasiel verleent aan een Oezbeeks gezin in Kampen?

Bron Foto: Patrick Post

Michiel van Diggelen (links) schreef een boek over de dagboeken van verzetsheld Arnold Douwes. Hij overhandigt het eerste exemplaar aan Kasper Jager, die al ruim een jaar kerkasiel verleent aan een gezin in Kampen.

“Het kan dus wel”, zegt historicus Michiel van Diggelen over het kerkasiel in Kampen. Hij bedoelt: je kunt dus wel in verzet komen tegen wat er door de regering wordt opgelegd. Het uitgeprocedeerde Oezbeekse gezin Babayants (vader, moeder en vier kinderen) schuilt al meer dan 500 dagen in de kerk in Kampen, waar een onafgebroken 24-uursdienst wordt gehouden. Tijdens een godsdienstuitoefening mag de IND namelijk niets doen, en kan het gezin niet worden uitgezet.

Van Diggelen schreef samen met de vorig jaar overleden Richard Tanke de biografie Weerbaar, over verzetsman Arnold Douwes (1906–1999). Het geheime dagboek van Douwes, Jodenredder over de bezettingstijd is in 2018 al gepubliceerd, maar een biografie was er nog niet. Het eerste exemplaar overhandigde Van Diggelen aan Kasper Jager, predikant bij Open Hof in Kampen. Die heeft van begin af aan gezegd te blijven strijden voor het gezin Babayants en de vierhonderd andere gewortelde kinderen in Nederland.

Van Diggelen: “Mensen in de oorlog onderdak geven, daar heb je een bepaalde moed voor nodig. Je moet je eigen regels stellen boven die van de staat of regering. Dat is wat Kasper en alle mensen in Kampen ook doen.” Met dat verschil dat de mensen die Arnold hielp de dood tegemoet gingen…

“Daarom kun je het ook niet op één lijn stellen. Maar er is wel een sterke verwantschap.”

Jager vindt dat hij daarmee veel te grote schoenen aantrekt. Hij wil zichzelf niet vergelijken met Douwes, die vele Joden redde tijdens de Tweede Wereldoorlog. “Wat hij gedaan heeft, dat doe je met gevaar voor eigen leven. Het kan hoogstens zijn dat wij misschien strafbaar zijn als de asielwet erdoor was gekomen.”

Wat wel herkenbaar is, is de weerbaarheid, denkt Jager. “Ik merk dat de ‘zachte krachten’ nu stellen dat er een grens is bereikt. De politiek wil de asielinstroom beperken, maar wat bereik je met dit beleid, als je kijkt naar het effect op deze vierhonderd gewortelde kinderen. Die worden vermalen in het systeem. Je moet als kerk wel opstaan!”

Bron Foto: Patrick Post

Arnold Douwes stond van kinds af aan al ‘weerbaar in het leven’, vertelt Van Diggelen. Hij trok zich niets aan van wat anderen vonden. “In oorlogstijd deed hij wat hij dacht dat het goede was, ondanks alle druk die er op hem werd uitgeoefend. Verzet is dat je zegt en doet wat je wilt zeggen en wilt doen, ook als dat niet mag. Doordat Arnold dat meteen al deed, werd hij aan het begin van de oorlog al regelmatig opgepakt.”

Voor de oorlog reisde Douwes als twintigjarige door Amerika en daar pikte hij het ook al niet dat een zwarte man niks te drinken kreeg in een restaurant. Hij keerde zich fel tegen racisme. Met als gevolg dat hij zelf het restaurant werd uitgezet.

De eigenzinnige Douwes liet zich volgens zijn biograaf niet leiden door plichtsbesef, maar door wat zijn geweten hem ingaf. Niet zozeer om de wereld beter te maken. Uiteindelijk werd hij zelfs Amerika uitgezet. “Hij zat er helemaal niet mee. Hij bleef onder alle omstandigheden zichzelf en praatte nooit iemand naar de mond.”

Arnold Douwes toen hij ongeveer 20 jaar was.
Bron Foto: Michiel van Diggelen

Hij was ook in staat om in iedere situatie te overleven. In Amerika kon hij dagenlang in een oude schuur slapen als hij bij een boer werkte. “Wij zijn tegenwoordig zo ontwend geraakt om te overleven. Als de elektriciteit uitvalt, ligt alles op zijn gat. Arnold had daar geen enkel probleem mee gehad. Dat zat zo ingebakken bij hem.”

Als jongen had hij al geleerd dat mensen om hem heen niet te vertrouwen waren. Zijn ouders gingen scheiden toen hij elf was, dat noemde hij de grootste traumatische gebeurtenis in zijn leven. Het kostte hem twintig jaar om daarvan bij te komen: ‘niets kon
mij meer verdommen’

Eenmaal terug in Nederland wilde hij Joden
redden. Van Diggelen: “Ik moet dit doen, zei hij. Want hij wist dat als hij niks zou doen, alle Joden zouden worden opgepakt. Hij hielp ze niet omdat het Joden waren, maar omdat het mensen waren die geen echten hadden. Op een moment dat veel Nederlanders totaal niet in de gaten hadden wat er precies aan de hand was.”

Douwes begon met kleine vormen van verzet. Zo besloot hij om ook een Jodenster te gaan dragen, opdat niemand meer het onderscheid zou zien. Alleen was hij vrijwel de enige die dat deed. Ook hing hij kartonnen vellen waarop hij Hitler aan een galg had getekend aan de Duitse telefoondraden.

Maar al gauw werd het serieuzer, doordat hij begon samen te werken met de bekende verzetsstrijder Johannes Post, die hem leerde om effectief mensen te helpen. Arnold haalde met de Joodse Nico Léons, met wie hij samenwerkte, Joden uit heel Nederland op. Ze reisden met de trein vanuit Amsterdam naar Hoogeveen. ‘Onvoorstelbaar en ongelooflijk’, vindt van Diggelen. “Arnold was net een hond, hij hoorde en zag alles om zich heen en rook onraad.”

Zo nam hij met gevaar voor eigen leven twee joodse meisjes mee in de trein die daardoor de oorlog overleefden. “Familie van die meisjes zei na de oorlog: wat Arnold en de mensen die hem hielpen deden, was iets wat normaal gesproken alleen ouders voor hun kinderen doen. Maar dat deden ze, omdat ze iemand tegenover zich hadden die ze moesten helpen.” Dat vindt Van Diggelen de kern van het verhaal.

Maar is Arnold Douwes daarmee een held?
“Nee, want zo zou Arnold zich nooit noemen. Hij zei: weet je wie de helden waren? Dat waren de Joden die onderdoken.”

Arnold trok langs de deuren om onderdak te vinden voor Joden uit heel Nederland in het Drentse Nieuwlande. Het dorp zou hiervoor later een Yad Vashem-onderscheiding krijgen van Israël. Zelf moest Douwes zich ook steeds verstoppen en een andere naam aannemen. Hij sliep elke nacht ergens anders en schuilde onder de vloer of in het bos. Tot hij toch verraden werd en opgepakt. Hij kwam terecht in de gevangenis van Assen. “Hij is gemarteld en verrot geslagen door de Duitsers. Maar hij heeft geen woord gezegd.

Een foto uit 1942, Arnold Douwes is sterk vermagerd tijdens de oorlog.
Bron Foto: Michiel van Diggelen

De knokploeg Noord-Drenthe bevrijdde hem en een aantal anderen uit de gevangenis. De gevangenschap was traumatisch voor Arnold, net als de constante angst die in hem moet hebben gezeten. “Hij sliep jarenlang een paar uurtjes per nacht.” Hij werd ook woedend als mensen geen onderduikers wilden…

“Ja, maar hij kon zijn werk doen dankzij die mensen, in een wereld waar de meeste mensen te vertrouwen waren. En hij deed het ook samen met de LO, de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers.
Via hen kreeg hij voedselbonnen.”

Kasper Jager, wanneer kwam voor u het
moment dat u een grens trok?

“Dat was eigenlijk al zeven jaar geleden, door het kerkasiel in Den Haag. Toen kwam ik erachter hoe erg de situatie was. In oktober 2024 kreeg ik het telefoontje of we kerkasiel wilden geven aan de familie Babayants. Meteen heb ik een aantal andere predikanten in Kampen gebeld of ze mee wilden doen. Inmiddels doen er ruim 350 uit Nederland mee. Er sloten ook van allerlei andere organisaties aan, puur om die familie veilig te houden.”

Hoe kijkt de gemeenschap in Kampen naar het gezin Babayants?
“Wisselend. Onze kerk is ruimdenkend. Maar er is in kerkelijk Nederland wel discussie of je een kerkdienst hiervoor mag gebruiken. Ikzelf kom Christus tegen in het gezicht van de mensen tegenover me. Dat is denk ik niet anders dan toen in de oorlogstijd. Als je Joden in het gezicht keek, dan zag je wat er aan de hand was, wat voor angst er in die ogen stond. Net als nu in de ogen van de Babayants. Daarin kom ik God tegen.”

Je zou eigenlijk kunnen zeggen dat zij ook zijn ondergedoken, alleen dan voor het zicht van iedereen, zegt Jager nadenkend. In de oorlog zaten mensen ondergedoken zonder dat mensen mochten weten waar ze zaten. “Maar ook de Babayants moeten onderduiken, omdat ze anders worden opgepakt en gedeporteerd.”

Na de oorlog trouwde Douwes met één van de joodse meisjes die hij gered had, twintig jaar jonger dan hij. “De geredde en de redder, dat huwelijk was gedoemd te mislukken.” Het stel kreeg drie dochters. Ze emigreerden naar Zuid-Afrika, waar hij ook ruzie kreeg omdat hij niet kon accepteren dat een zwarte man die in zijn tuin werkte, niet in zijn huis zou mogen komen. Buren weigerden nog met hem om te gaan, waarop het gezin uiteindelijk teleurgesteld het land verliet.

Vervolgens emigreerden ze naar Israël, waar Douwes zich eindelijk thuis voelde. “Ondanks de ellende, had hij het gevoel dat hij daar vrij was. Hij vertaalde het boek Battleground van Samuel Katz in het Nederlands. Arnold was er net als Katz van overtuigd dat de Joden het recht hadden op een eigen staat. Voor Palestijnen had hij gek genoeg geen enkel begrip. Als je nu zo’n boek zou vertalen, word je aan de schandpaal genageld.”

En er gebeurde alsnog wat hij nooit wilde: een echtscheiding…
“Ja, zijn vrouw ging bij hem weg. Er viel niet met hem te leven, door zijn oorlogstrauma’s. De jongste van de drie dochters wilde hem de rest van zijn leven niet meer zien. Toen is hij naar Nederland teruggekomen als tachtigjarige.”

Heeft hij spijt gehad denkt u?

“Nee, dit is niet een man met spijt, al heeft hij wel pijn ervan gehad.”

Toch vond hij het belangrijk dat er een onderscheiding kwam van Yad Vashem voor het dorp Nieuwlande. Waarom?
“Hij is twintig jaar bezig geweest om samen met Nico Léons, die ook de oorlog overleefde, lijsten op te stellen van de mensen die hem geholpen hadden. Maar hij was zo bang dat hij mensen zou vergeten dat hij ijverde voor het hele dorp. Dat is gelukt in 1985.”

Kasper, krijgt u wel eens nare reacties op de opvang van het gezin Babayants, nu er zo’n gure wind waait rond asielzoekers?
“Alleen online zie ik wel van dat soort reacties. We hadden vooraf wel even zorgen over de situatie rond de kerk, maar gelukkig is er niets vervelends gebeurd.”

Als je de situatie van toen met nu vergelijkt is er minder steun om mensen te helpen.
“Ja, dat vind ik angstaanjagend. Ik zie een rechtspopulistische stroming die een zondebok in asielzoekers aan het zoeken is. En in de slipstream gaan de Joden daar opnieuw weer in mee. We zijn daarin de grens van barmhartigheid en naastenliefde wel aan het overgaan.”

Arnold Douwes in Israël. Daar woonde hij dertig jaar.
Bron Foto: Michiel van Diggelen

Van Diggelen zegt dat het toch mogelijk is een onderstroom te mobiliseren die deze gewortelde kinderen in Nederland wil helpen, zoals Jager doet. “Heel veel mensen sympathiseren daarmee.”

Jager: “Ik ben ervan overtuigd dat we het goede doen. Maar er zijn wel mensen die er problemen mee hebben. Het grootste kritiekpunt dat we krijgen is dat we niet zouden mogen opstaan tegen de wetgever. Het punt is dat de wetgeving misschien wel rechtmatig tot stand is gekomen, maar de uitwerking en uitkomst ervan voor kinderen niet rechtvaardig is.”

Michiel, wat zou Arnold doen in deze tijd?

“Hij zou overal van de daken schreeuwen wat hij vond. En hij zou zich laten inschakelen door mensen als Kasper. Hij zou naar andere dorpen gaan om te vragen of zij ook zo’n kerkasiel zouden willen organiseren. Met zijn poot op tafel slaan in Den Haag. Hij zou alles doen om uitzetting van die 400 kinderen te voorkomen. Honderd procent.”

Dit artikel is geschreven door Phaedra Werkhoven, redacteur Politiek en Samenleving – Trouw

Gepubliceerd op 1 mei 2026
Trouw is onderdeel van DPG Media
© 2026 DPG Media B.V. Alle rechten voorbehouden

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *